Leren van het Verenigd Koninkrijk in Brexit-tijden: naar een Nederlandse Wet op de EU?

Copyright: Tristan Sprarks

De Brexit is een ingewikkelder traject gebleken dan wellicht vooraf voorzien. Kink in de kabel voor de Britse regering is de recente beslissing van de High Court. Dit rechterlijk college besliste dat de regering toestemming nodig heeft van het Britse parlement voor de melding van haar voornemen om uit de EU te stappen. Het nationale recht gaf de doorslag voor die beslissing. Het ging immers primair om de verhouding tussen de uitvoerende macht, de regering, en het parlement.

De uitspraak van de High Court laat zien dat het nationale recht cruciaal is voor het EU lidmaatschap. Hoe zit dat in Nederland? Hoe hebben wij het EU lidmaatschap eigenlijk geregeld in nationaal recht? En wat zegt onze Grondwet over de Europese Unie? Maar eerst nog even terug naar het Verenigd Koninkrijk. Dat land kent geen grondwet, maar verschillende juridische bronnen hebben wel een constitutionele status. Voor het EU lidmaatschap zijn vooral de European Communities Act 1973 en de European Union Act 2011 belangrijk.

De eerste wet regelt de status van EU-recht in de Britse rechtsorde en bevat een bepaling die de Britse regering in staat stelt om EU regels om te zetten in nationaal recht zonder dat daarvoor parlementaire wetgeving nodig is. De European Union Act 2011 heeft een ander doel. Wanneer er nieuwe bevoegdheden worden overgedragen aan de Europese Unie, zorgt deze wet voor een grotere controle daarop. Soms is toestemming van het Britse parlement nodig, in andere gevallen moet zelfs een referendum worden gehouden. In de laatste categorie vallen voorgenomen besluiten om toe te treden tot de eurozone, uitbreidingen van de bevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie en het afschaffen van grenscontroles. Er is allerhande kritiek mogelijk op deze controlemogelijkheden, maar feit is wel dat de Britse wetgever een duidelijke en concrete visie op het EU lidmaatschap heeft geformuleerd.

Interessant is ook dat EU landen elkaar over en weer inspireren. De Britse European Union Act draagt bijvoorbeeld duidelijke sporen van de Duitse kijk op EU lidmaatschap zoals dat vooral door het Bundesverfassungsgericht is ontwikkeld. Het formuleren van een nationale visie op het EU-lidmaatschap is dus niet per se een naar binnen gericht proces. Dat brengt ons bij de vraag waar Nederland staat in dit geheel.

Anders dan veel andere EU landen zegt de Nederlandse Grondwet niets over het EU-lidmaatschap. Sterker, wie alle 142 artikelen van de Grondwet leest, komt niets te weten over het bestaan van de EU. Dat is op zich geen probleem, het Verenigd Koninkrijk heeft als gezegd niet eens een Grondwet. Maar in Nederland is er ook geen alternatief. De goedkeuringswetten van de opeenvolgende Europese verdragen bevatten bijvoorbeeld evenmin een duidelijke visie op het EU lidmaatschap.

In het huidige tijdsgewricht is dat een gevaarlijke constatering. Geen visie op EU-lidmaatschap betekent ook geen visie op de Nederlandse soevereiniteit in EU-verband. Dat is gevaarlijk nu in het politieke en publieke debat soevereiniteit steeds meer de stok wordt om alles wat de spreker niet bevalt mee te slaan. ‘Baas in eigen huis’ wordt zo wel een hele benauwde definitie van soevereiniteit.

Welke winst zou er zijn te behalen als we ook in Nederland een ‘Wet op het EU lidmaatschap’ zouden aannemen? Een paar korte punten:

  1. De democratische taken en verantwoordelijkheden van de belangrijkste staatsinstellingen, en dan vooral die inzake de verhouding tussen de regering en het parlement, worden beter afgebakend. Die zijn nu soms niet duidelijk en dat werkt ook in de hand dat ‘Brussel’ verantwoordelijk wordt gesteld voor zaken waar Nederlandse instellingen op zijn minst ook een hand in hebben gehad.
  2. De Nederlandse ambities binnen en visie op de Europese Unie worden expliciet benoemd. Net zoals de Grondwet nu al sinds jaar en dag bepaalt dat Nederland de internationale rechtsorde bevordert, kan een “Wet op de EU” bepalen hoe Nederland de EU (graag) ziet. Als een mondiale actor om onze gezamenlijke belangen te verdedigen, als de drijvende kracht achter een goed functionerende sociale markteconomie of als de hoeder van de rechtsstaat op het Europese continent? Of nog iets anders? De explicitering van een Nederlandse visie op het EU-lidmaatschap zou de Nederlandse positie in EU-onderhandelingen sturen en bovendien Nederlandse burgers een concreter beeld geven van het Nederlandse EU-lidmaatschap.
  3. Evenals in andere landen kan een Wet op de EU ook worden gebruikt om grenzen aan te geven, thema’s waar de EU niet over zou moeten gaan of waarover in ieder geval nationale waarborgen moeten worden gerespecteerd.
  4. De Nederlandse burger is tegelijk ook EU burger. Een Wet op de EU zou ook die relatie kunnen uitwerken en bepalen wat de rol van de Nederlandse representatieve democratie is als ‘tussenpersoon’ tussen de Nederlandse burger en de EU.

Vooral ten aanzien van het vierde punt is het belangrijk om te vermelden dat de Staatscommissie Bezinning Parlementair Stelsel momenteel bezig met haar rapport over de toekomst van onze democratie. De verhouding met Europa vormt daarin hopelijk een kernpunt.

Zie verder: Linda Senden en Ton van den Brink, ‘De Europese Unie en nationale soevereiniteit – wel degelijk verenigbare grootheden’, Ars Aequi.

Op 15 december organiseert RENFORCE een Brexit event.