Gender bias in de academische wereld: vier Spinoza prijzen

Anna Maria Schuurman (eerste vrouwelijke student UU)

Anna Maria Schuurman (eerste vrouwelijke student UU)

In december 2015 organiseerde Linda Senden met Mirella Visser van het Centrum voor Inclusive Leadership een seminar over de gelijke behandeling van man en vrouw als een van de kernwaarden van de Europese Unie (artikel 2 en 3 lid 3 van het Verdrag van de Europese Unie), het beginsel van gelijkheid van mannen en vrouwen (artikel 23 van het Handvest), en  de vrijheid van beroep en het recht om te werken (artikel 15 Handvest).  Om dit te realiseren streeft de EU er op grond van artikel 8 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie  er bij elk optreden naar de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen.  In de praktijk is het echter ook op Europees niveau nog zoeken naar mogelijkheden om regelgeving zo in te richten dat gender diversiteit wordt gestimuleerd.  Een voorstel daartoe voor een richtlijn “inzake de verbetering van de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen 2012”  is een voorbeeld van de voetangels en klemmen die daarbij een rol spelen.  Tijdens het seminar werd vooral gekeken naar hoe naast de overheid ook de industrie een belangrijke rol en verantwoordelijkheid hierin heeft. Een van de conclusies van de organisatoren van het seminar was, dat het eigenlijk onvermijdelijk is om harde quota in te voeren, ook al betekent dit een vergaande ingreep in de vrijheid van ondernemerschap (artikel 16 Handvest).

Dit seminar is daarmee een belangrijke bijdrage aan het maatschappelijk debat. Maar  hoe staan de zaken dichter bij huis? Hoe staat het met de man-vrouwverhouding in onze eigen werkomgeving?

Kijken wij bijvoorbeeld naar een van de hoogtepunten van het Nederlandse academisch jaar: de bekendmaking van de Spinozapremies op 10 juni en de uitreiking ervan op 13 september a.s. Zo belangrijk, omdat dit een van de weinig overgebleven mogelijkheden is een substantieel bedrag (2.5 miljoen euro) geheel naar eigen inzicht aan wetenschappelijk onderzoek te besteden.  Er is ruimte voor vier hoogleraren die ‘voortreffelijk’ en ‘baanbrekend’ onderzoek verrichten op hun vakgebied en daarin behoren tot de ‘allerbesten’ wereldwijd, en daarbij een lichtend voorbeeld zijn, en ‘inspirerend’ voor  de nieuwe generatie. Zoals de NWO stelt: het winnen van de Spinozapremie is een eerbewijs en een stimulans voor verder onderzoek.

Niet alleen bèta-wetenschappers vallen dit jaar in de prijzen. Fysisch-organisch chemicus Wilhelm Huck, internist/infectioloog Mihai Netea,  en nano-fysicus Bart van Wees , maar ook filosoof Lodi Nauta zijn de uitverkorenen.  Deze vier heren voldeden aan de door NWO opgestelde richtlijnen, waaronder de belangrijke voorwaarde dat zij allen nog een mooie carrière voor de boeg hebben, waarin zij het in hen gestelde vertrouwen verder kunnen waarmaken.

Zoals de NWO zelf benadrukt: de selectie van wetenschappers gaat heel zorgvuldig. Het gaat om de ‘hoogste categorie in de wetenschapspyramide’ zo staat in de  brochure 2016. Deze brochure vermeldt op pagina 1:

“Excellent, creatief en baanbrekend onderzoek heeft een divers opgebouwde wetenschappelijk staf nodig, zodat onderwerpen vanuit verschillende perspectieven worden benaderd. NWO zet zich daarom in voor een betere genderbalans, ook om er zeker van te zijn dat de Nederlandse wetenschap al het beschikbare talent weet aan te boren. De voordragers wordt daarom van harte aanbevolen vrouwen voor te dragen”.

Na voordracht stelt een internationale en wetenschapsbreed samengestelde commissie een shortlist op van maximaal acht kandidaten. Na gesprekken met meerdere buitenlandse deskundigen kwam de commissie dit jaar tot vier wetenschappers die zij bij NWO voordroegen voor de Spinozapremie, want  “voor de toekenning van een NWO-Spinozapremie telt internationaal erkende wetenschappelijke kwaliteit als belangrijkste criterium”  (persbericht NWO 2016). Hoe kan het nu toch dat er dit jaar voor vrouwen geen plaats is in de top van de pyramide?

De Volkskrant van zaterdag 11 juni  benadrukte dat het goed was dat naast de bètawetenschappen, ook een filosoof toegang had gekregen tot de wetenschappelijke heldenstatus.  De NRC van 11 juni  sprak met de voorzitter van de 12 koppige internationale commissie wiskundige Jan Karel Lenstra die stelde dat er van ‘bias’ geen sprake is geweest. De verdeling tussen alfa, bèta en gamma onderzoek was immers zorgvuldig bewaakt.  Beide kranten repten met geen woord over het gebrek aan vrouwen in de top van de Nederlandse wetenschapspyramide.

Nog geen jaar geleden verscheen  het in opdracht van dezelfde NWO geschreven rapport ‘honoreringskansen voor mannen en vrouwen in  NWO competities’, waarin met name wordt gekeken naar de kansen voor vrouwen om in aanmerking te komen voor de VENI subsidie. Het rapport laat zien dat vrouwelijke onderzoekers significant minder kans hebben op honorering dan mannen (14,9% tegen 17,7%).  Vrouwen scoren even goed op kwaliteit van onderzoeksvoorstel. Maar zij krijgen systematisch gemiddeld slechtere pre-adviezen en minder positieve scores op hun kwaliteiten als onderzoeker.  Is er een verklaring?

Het rapport gaat met name in op het taalgebruik in de instructies en de kwaliteitslabels. Niet alleen expliciet gender-exclusieve woorden (bijvoorbeeld manjaren), maar vooral woorden die refereren aan masculiene eigenschappen als ‘uitdagend onderzoek onafhankelijk uitvoeren’,  ‘avontuurlijk’ en ‘outstanding talent’ worden gebruikt om de waardering voor kwaliteit als onderzoeker op te baseren.  Dergelijke termen leiden volgens de rapporteurs  onbewust naar een hogere waardering van mannelijke kandidaten. Van der Lee en Ellemers, auteurs van het rapport , spreken dan ook van ‘impliciete gender bias bij het beoordelen van VENI aanvragen. Het rapport doet een serie concrete aanbevelingen, met name gericht op het vergroten van alertheid op zulke impliciete gender bias.   Een belangrijk middel daartoe zou de training van commissieleden zijn op impliciete vooroordelen. Daarnaast zouden  met name externe referenten geïnformeerd moeten worden over het NWO beleid ten aanzien van het bevorderen van vrouwelijk talent.

Dit alles komt overeen met een  recent verschenen onderzoek bij de London School of Economics naar impliciete gender bias waar vrouwelijke docenten mee worden geconfronteerd. Dit is een probleem, ook  omdat deze evaluaties in toenemende mate een rol spelen in de beoordeling van de kwaliteiten van wetenschappelijk personeel.  Belangrijke conclusie is dat de uitkomst van studentenevaluaties in Nederland,  Frankrijk en de VS laten zien dat studenten structureel vrouwelijke docenten een minder hoge score toekennen dan hun mannelijke collega’s. Ook in dit onderzoek is gekeken naar het taalgebruik in de evaluaties. En ook hier blijkt dat bepaalde termen als ‘prompt’ of ‘knowledge’ positief worden geassocieerd met een mannelijke docent.

Het is niet onwaarschijnlijk dat bij de NWO  impliciete gender bias een rol heeft gespeeld bij het toekennen van de Spinozapremies. Wat we in ieder geval uit de twee bovengenoemde rapporten kunnen concluderen, is dat ook in de beginfase van hun wetenschappelijke carrière vrouwen extra barrières moeten overwinnen.

Conclusie: Voor het jaar 2016 wordt de top van de Nederlandse wetenschap blijkbaar gevormd door alleen heren.  Met andere woorden, er is geen vrouwelijke hoogleraar die zich kan meten met deze vier.

Wat is erger? Dat binnen kringen van de NWO men er van uit gaat dat dit werkelijk zo is of dat dit daarbuiten zo weinig verbazing opwekt?

Dit bericht werd geplaatst in Europese kernwaarden en getagged met , op door .
Lucky Belder

Over Lucky Belder

Het onderzoek van Lucky Belder richt zich op het juridisch kader voor innovatie en creativiteit in tijden van grote technologische verandering in het publiek recht en het intellectueel eigendomsrecht, zoals dat naar voren komt in de bescherming van cultureel erfgoed en culturele diversiteit, vraagstukken rond open access, private actoren en het publiek domein en de bevordering van de creatieve industrie. Daarnaast richt zij zich op de juridische aspecten van de introductie van kunstmatige intelligentie ( robotica) in de samenleving.