Banken zetten zich schrap tegen SREP

europese-bankenHet nieuwe EU bankentoezicht, vormgegeven in het zgn. Single Supervisory Mechanism (SSM) – of in goed Nederlands het Gemeenschappelijk Toezichts Mechanisme (GTM) – is sinds eind 2014 een feit. Het voorziet in een leidende rol voor de ECB en een meer ondergeschikte rol voor de nationale toezichthouders. De ECB houdt toezicht op de belangrijke banken in de EU, in jargon de SI’s; de rol van de nationale toezichthouders, zoals DNB, is met name nog gericht op de zgn. minder significante banken, in hetzelfde jargon ook wel LSI’s genoemd. Ook dit toezicht is echter in belangrijke mate Europees: de toezichtsregels vinden hun basis in EU-richtlijnen, verordeningen en aanbevelingen. De zgn. SREP vormt hiervan een mooie illustratie. Voor de Europese banken, zo ook voor de Nederlandse, is deze SREP een belangrijk en spannend proces waar men soms met enige vrees naar kijkt. Is dit terecht? Is er voor Nederlandse banken aanleiding zich zorgen te maken?

Ik kom op deze vragen later terug. Eerst de vraag: SREP, waarvoor staat déze afkorting nu weer? Immers, het EU recht in het algemeen, en het financieel recht in het bijzonder, zijn inmiddels een mer à boire van afkortingen, zodanig dat een (euro)scepticus gemakkelijk zou kunnen gaan denken dat dit is bedoeld om deze rechtsgebieden – en degenen die zich daarmee bezig houden – een bepaalde schijn van belangwekkendheid te geven. Achter deze afkortingen gaan evenwel soms – en misschien zelfs wel vaak – wezenlijke zaken schuil. Zo ook bij de afkorting SREP. Deze staat voor het ‘Supervisory Review and Evaluation Process’. Het belangrijkste doel van SREP is het door toezichthouders verfiëren en daarmee verzekeren dat banken beschikken over adequate interne arrangementen, strategieën, processen en mechanismen, als ook over voldoende kapitaal en liquiditeit, om uiteindelijk hun risico’s te kunnen dekken. Dit is in het belang van de banken zelf, daarmee in het belang van een gezond financieel systeem, en uiteindelijk in het belang van ons allen.

Zowel de significante banken die onder rechtstreeks toezicht staan van de ECB, als de kleinere banken die onder toezicht staan van hun nationale toezichtsautoriteiten, zijn aan dit proces onderworpen. De nationale toezichthouders sluiten bij de uitvoering van hun SREP in beginsel aan bij de wijze waarop de ECB de grote EU banken aan de SREP onderwerpt. Overigens, ook voor de totstandkoming van het SSM werd dit proces al toegepast. Sinds het SSM is de SREP inhoudelijk echter wel aanzienlijk veranderd. Zo wordt het risicoprofiel van een bank nu veel meer bepaald door de gegevens uit de toezichtrapportages. Dit geautomatiseerde risicoprofiel wordt vervolgens door de toezichthouder nagetoetst. Daarnaast bestaat er nu een geïntegreerde koppeling tussen het risicoprofiel van een bank en de vaststelling van de kapitaaleisen. Door deze directere koppeling is het belang van de kwaliteit van de prudentiële rapportages aanzienlijk vergroot.

Hoe gaat de SREP dan meer precies in zijn werk? Een vrij recent nieuwsbericht van de Nederlandse bankentoezichthouder, De Nederlandsche Bank (DNB) vertelt het volgende: ‘De SREP vormt enerzijds het slot van de doorlopende risicoanalyse (Risk Assessment), die wordt bekrachtigd door instellingspecifieke kapitaal- en liquiditeitseisen. Anderzijds is de SREP het startpunt van de toezichtagenda voor het komende jaar, omdat hier de prioriteiten worden bepaald. DNB heeft het SREP-proces voor de kleine en middelgrote banken in een aantal mijlpalen verdeeld, zoals de beoordeling van de ICAAP, ILAAP (ook hier weer enkele mooie afkortingen die staan voor resp. Internal Capital Adequacy Assessment Process en Internal Liquidity Adequacy Assessment Process, T.D) en stresstest, een check op macroprudentiële risico’s, peer group-benchmarking en een SREP-panel waar besluitvorming plaatsvindt. DNB houdt met elke LSI een SREP-dialoog, stuurt een SREP-brief en houdt het afsluitende jaargesprek.’ Dit alles klinkt prachtig en maakt het voor mij op het eerste gezicht niet onbegrijpelijk dat banken deze SREP soms met enige benauwdheid ondergaan.

Belangrijk nieuws is dat recentelijk de eerste ‘nieuwe’ SREP-operatie door DNB onder het SSM voor de kleine en middelgrote Nederlandse banken is afgerond. Voor de Nederlandse banken was dit een spannend moment. Was er reden deze SREP te vrezen, of juist niet? De resultaten van de SREP wijzen uit dat er geen enkele reden hoefde te zijn voor vrees. Uit een recent interview met een verantwoordelijk DNB-bestuurder blijkt dat de kleine en middelgrote banken ruim aan de gestelde eisen voldoen. Ook anderszins lijkt mij de SREP voor de Nederlandse banken geen reden voor vrees, maar eerder voor vreugde: de wijze waarop zij door de toezichthouder worden beoordeeld is immers transparant, zodat men weet waar men zich op moet instellen. En, misschien nog wel belangrijker, door de uniforme toepassing van deze SREP op buitenlandse concurrenten in andere lidstaten wordt bevorderd dat rotte appels in andere lidstaten tijdig worden ontdekt. Dat is goed voor onze banken en, uiteindelijk, voor ons allen.