Nederland kan niet zonder de EU. 10 punten voor het Nederlands voorzitterschap.

NL voorzitter EU 2016Het Nederlandse EU-voorzitterschap zal ongetwijfeld voor een groot deel in het teken staan van de vluchtelingenproblematiek. Dat is inderdaad een groot probleem, maar de aandacht moet ook op andere inhoudelijke punten worden gericht. In een uitgebreider artikel, dat u hier op mijn persoonlijke blog kunt lezen, heb ik de inhoudelijke aandachtspunten voor premier Rutte, andere politici en instituties voor het Nederlandse voorzitterschap uitgewerkt. In deze blog wil ik slechts 10 korte punten noemen waar het bij ons voorzitterschap ook om zou moeten gaan.

  1. De politiek is crux. De invloed van wetenschappers is bescheiden en afhankelijk van de politiek. We hebben dus sociaal bewogen politici nodig om het gevoel van de Nederlandse burgers te verbeteren. Tekenend was het stoppen van de jarenlange samenwerking in de jaren negentig tussen economen, juristen en sociologen op het gebied van de sociale markteconomie in de Utrechtse Onderzoekschool Arbeid Welzijn en Sociaal-economisch Bestuur. Al het goede werk van deze groep kon de prullenmand in toen in 1998 in Den Haag om louter budgettaire redenen gekozen werd voor ‘Terug naar de Markt’. Hetzelfde dreigt nu te gebeuren met de jarenlange samenwerking in deze eeuw op het gebied van Europees recht en decentrale overheden als in politiek Nederland het anti-EU gevoel steeds meer gaat domineren. Nu ligt er bijvoorbeeld een prachtig boek ‘De sociale markteconomie van de EU en de kansen voor Nederland’ (2016) van o.a. Anna Gebrandy (red.). Het bevat een rijkdom aan perspectieven en mogelijkheden. Zonder sociaal bewogen politici die dit oppakken zullen de Nederlandse burgers er echter niets van gaan merken.
  2. De Interne Markt. Nederland kan niet zonder de Europese interne markt: om tegengas te geven tegen het toenemende aantal liberale anti-EU politici, vind ik het zeer gewenst dat de liberale VNO-NCW laat merken dat onze open economie niet zonder de interne markt kan en dat we economisch instorten als we uit de EU stappen.
  3. Een democratischer Europa. Het democratische gehalte van de EU is via de Europese Grondwet in het Verdrag van Lissabon duidelijk verbeterd ten opzichte van het toenmalige Verdrag van Nice. Juist historicus Rutte zou deze verschillen moeten verduidelijken aan onze burgers. Hiermee worden bovendien populistische en niet-realistische anti-Europa types van repliek gediend.
  4. De sociale markteconomie. De EU heeft gekozen voor een sociale markteconomie: in de Verdragen en in het ‘Europa 2020’ beleid is de sociale markteconomie neergezet als reactie op de gevolgen van de louter individualistische liberale markteconomie. Binnen de EU is de markt nooit een doel, maar een instrument om allerlei overheidsdoelstellingen, waaronder tegenwoordig met name ook duurzaamheid en sociaal beleid, na te streven. Die economische politiek laat ruimte voor aanvullingen op en/of correcties van de markt. Een totaal andere benadering dus dan het ‘ieder voor zich en de onzichtbare hand van Adam Smith voor ons allen’-streven dat we in Den Haag veel zien.
  5. Burgers centraal. Alle burgers tellen in de EU: om de relatie tussen zijn kabinet en de burgers te verbeteren moet Rutte zijn burgers ook laten weten dat de Europese Commissie niet op zichzelf is gericht maar juist op de burgers van Europa. Met haar omvangrijke, multidisciplinaire onderzoeksproject over het Unieburgerschap BEUcitizen, dat geleid wordt door collega Sybe de Vries, wil ze bijvoorbeeld weten hoe Europese burgers zich voelen en hun positie wil verbeteren.
  6. Sociale ondernemingen. In Den Haag wordt wel enige aandacht besteed aan maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen, maar het amorele gedrag van ondernemingen wordt niet gecorrigeerd door het neoliberale marktdenken. Om dit te doorbreken zou Rutte sociaal betrokken ondernemingen moeten laten weten dat zij de steun krijgen van de EU en dat het concretiseren van bedrijfsethiek kenmerkend is voor de sociale markteconomie, en dus essentieel voor het redden van Nederland.
  7. De EU gaat voor duurzaam: In ‘Europa 2020’ wordt veel aandacht besteed aan duurzaamheid. Om die reden is het gewenst dat alle ‘duurzame’ politici hun krachten bundelen om de korte termijn marktpolitici aan te pakken. Gelukkig is die aansporing sinds de afspraken in Parijs niet meer alleen Europees maar zelfs mondiaal.
  8. Decentrale overheden. Het kabinet Rutte heeft de relatie met de provincies en gemeenten laten domineren door de centen. De Europese Commissie kiest juist voor een goede samenwerking met regionale en lokale overheden en een inhoudelijke dialoog. Tijd dus dat Rutte provincies en gemeenten herwaardeert.
  9. Samenwerking centrale en decentrale overheden. Voor het concretiseren van de sociale markteconomie van de EU moeten alle sociaal bewogen politici op centraal en decentraal niveau hun krachten bundelen. Met steun van de EU kunnen de Nederlandse ‘korte termijn-politici’ van het neoliberale marktdenken opzij gezet worden. Vanuit mijn economische achtergrond en vijftien jaar ervaring in de raad van toezicht van een zorginstelling, vind ik dat de kritiek van de SP op de marktwerking in de zorg terecht is, zonder dat de partij er echter een realistisch alternatief tegenover zet. In ieder geval is samenwerking tussen centrale en decentrale overheden de sleutel, omdat gemeenten met de zorg zijn opgezadeld.
  10. Europa en het gevoel. De toekomst van de EU wordt niet alleen bepaald door wetenschappers en goede inhoudelijke argumenten. Juist het gevoel doet er misschien wel meer toe. Daarom is mijn laatste punt een aansporing aan Rutte om het optreden van de autochtone Franse zangeres Emma Daumas en de in Marokko geboren Franse zangeres Sofia Esaïdi te bekijken. Zij zongen een aantal jaar geleden samen en voor een volle zaal jonge Franse fans het lied ‘Aller plus haut.’ Na de vreselijke aanslagen in Parijs ervoer ik dat als een optreden waaruit we weer hoop kunnen putten. Als Rutte daar naar kijkt, hoop ik dat hij als historicus gaat inzien dat hij als EU-voorzitter de toekomst, dus onze jonge generaties, centraal moet stellen. De titel van het lied ‘Aller plus haut’ zou ertoe moeten leiden dat hij een voorbeeld neemt aan zijn partijgenoot Neelie Kroes, die jaren terug haar partijgenoten er al op wees dat zij het populisme niet moeten beantwoorden met populisme, maar met realisme.