Botten liegen soms: De rol van medische technologie in de lotsbepaling van jonge migranten in Europa

XRay hand (2)De recente onrust over Syrische vluchtelingen in ‘Fort Europa’ noopt ertoe (opnieuw) stil te staan bij de wijze waarop we invulling geven aan onze principes van humaniteit en de ‘plicht’ of wens hen te beschermen die dat nodig hebben. In het hedendaagse tijdperk van ontologische onzekerheid, (on)veiligheidsdenken of securitization, angst voor de ‘Ander’ en een daaruit voortvloeiende uitsluitende samenleving (naar de gelijknamige studie ‘The Exclusive Society’ van criminoloog Jock Young) staan die principes danig onder druk. Waar we voor vaders, moeders en kinderen die levensbedreigend geweld ontvluchten nog wel enige sympathie en een veilige plek in ons land kunnen opbrengen – zij het soms met moeite en vrees – is dat veel minder het geval voor economische migranten, helemaal als het jonge jongens betreft.

Zo komen in de havenstad Marseille al jarenlang (verondersteld) minderjarige jongens uit de Noord-Afrikaanse regio aan, die hun thuisland verlaten omdat zij daar geen toekomstperspectief of een kans op een respectabel leven zien. Aldaar valt hun een verwarrende en in mijn optiek bezwaarlijke medisch-technologische schifting te beurt: op grond van (zogenaamd) leeftijdsbepalend botonderzoek met röntgentechnologie worden deze jongens sociaal geconstrueerd als ofwel ‘kwetsbare, uitgebuite kinderen’ die bescherming door de Franse overheid ‘verdienen’, ofwel als ‘uit te zetten illegale (volwassen) migranten’ die op vileine wijze van de Franse welvaart willen profiteren en die het land dan ook zo snel mogelijk tracht kwijt te raken. Aan de medische en mensenrechtelijke bezwaren tegen deze praktijk van ‘social sorting’ wil ik een antropologisch-criminologische kanttekening toevoegen. Die komt er kortgezegd op neer dat het op medische gronden ‘forceren’ van zo’n zwart-wit categorisering van deze jongeren een vorm is van hedendaagse biopolitiek die de empirische werkelijkheid van hun liminale of overgangsfase en hun ‘betwixt and between’ bestaan in Marseille veronachtzaamt. Dit heeft niets meer van doen met respect voor het kind en diens persoonlijke ontwikkeling, waaraan men zich in Frankrijk en Europa zegt te committeren. Het reflecteert vooral onze hedendaagse angst voor ‘de Ander’ en de daaruit voortvloeiende wens die ‘Ander’ op afstand te houden.

De praktijk van het botonderzoek in Frankrijk is niet uniek. Ook in Oostenrijk, België, Tsjechië, Estland, Finland, Frankrijk, Duitsland, Italië, Litouwen, Malta, Polen, Portugal, Slowakije, Spanje, Zweden en Nederland (Rapport Commissie Leeftijdsonderzoek 2012) valt jongeren die zonder volwassen begeleiding aankomen (‘mineurs isolés étrangers’, ‘unaccompanied minors’ of, in Nederland: ‘AMV’s’: Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen), bij twijfel over hun leeftijd, een botonderzoek te beurt. Het onderzoek wordt niet alleen uitgevoerd als er geen geldige identiteitspapieren zijn, maar in sommige landen ook wel in aanvulling daarop (waaraan het idee ten grondslag ligt dat de overlegde identiteitspapieren onbetrouwbaar zouden zijn). Meestal worden röntgenfoto’s gemaakt van de hand, het polsgewricht, sleutelbeen en/of het gebit van de jongere. Aan de hand daarvan wordt de waarschijnlijke leeftijd van de jongere bepaald, of de vraag beantwoord of de jongere minder- of meerderjarig is. Bij vermeende meerderjarigheid leidt dit meestal tot uitzetting, aangezien overheden zich dan niet langer aan de Rechten van het Kind en de inherente verplichting van opvang en bescherming tot het achttiende jaar gehouden zien. Tegen het onderzoek zijn door medisch experts, alsmede door mensenrechtenvoorvechters verschillende bezwaren geuit die er kortweg op neer komen dat de methode onbetrouwbaar is (Adamsbaum, Chaumoitre & Panuel 2008), de foutmarge (te) groot is, en het onethisch is kinderen om administratieve (in plaats van medische of therapeutische) redenen aan zulk onderzoek te onderwerpen (Hammarberg 2011).

Los van de vraag of het onderzoek in medisch of humaan opzicht deugt, staat de vraag hoe zulk onderzoek zich verhoudt tot de geleefde identiteit en realiteit van de jongere. In de case study van de Maghrebi jongens in Marseille, die bij aankomst emplooi vinden in de verkoop van gesmokkelde sigaretten, concludeerde ik dat hun levensomstandigheden niet te vangen zijn in dichotomieën van kind óf volwassene; kwetsbaar óf bedreigend; bescherming behoevend (en toekomend) óf onterecht profiterend van de Franse welvaart; ‘victime de traffic et traite’ óf illegale migrant. Kenmerkend voor hun geleefde dagelijkse bestaan was het feit dat zij tussen dergelijke categorieën in laveerden, een (in antropologische termen) liminaal bestaan waarin zij, enerzijds, zelfredzaam waren (‘je me debrouille, quoi!’) en kostwinners trachtten te zijn – volwassen rollen, op het eerste gezicht – en, anderzijds, een miserabel bestaan leidden waarin zij kwetsbaar waren, economisch en seksueel uitgebuit werden en uitwegen zochten in drugs en zelfmutilatie.

De toewijzing van deze jongeren, na schijnbaar objectief, rationeel, techno-medisch onderzoek, tot een eendimensionale categorie ‘kind’ of ‘volwassene’ – en daarmee: ‘onze zorg en bescherming verdienend’ of ‘van onze zorg ten onrechte en manipulatief profiterend’ – is een schrijnende reductie van die complexe werkelijkheid. Het lijkt erop alsof de tussenposities waarin deze jongens verkeren – ze voelen zich niet behoren tot hun geboorteland, noch mogen ze behoren tot de Marseillaanse samenleving; zijn niet meer geheel kind, noch volwassene; zijn soms slachtoffer van kinderhandel maar ervaren dat veelal zelf niet zo (en worden ook zelden als zodanig herkend en benoemd) – de overheid verwart en bij haar een behoefte oproept tot classificeren, categoriseren en controleren. De lichamen van jonge migranten worden daarbij gebruikt als ‘sites’ van (medische) dataverwerving, die hun een eenduidige en kunstmatige identiteit ‘oplegt’, zodat zij in een categorie kunnen worden geplaatst waar de overheid mee uit de voeten kan.

Hoewel de empirische werkelijkheid van jonge migranten in Europa misschien lastig in rechtsregels is te vangen, biedt zij inzichten en aan de werkelijkheid getoetste kritiek die van groot belang zijn. Immers, we hebben voor kinderen en jongeren geen specifieke rechten gegarandeerd vanuit een administratieve behoefte tot orde(ning), maar vanuit een diep gevoelde en Europees gedeelde overtuiging dat de levensfase waarin zij zich bevinden, vraagt om een delicate balans van ‘empowerment’ én bescherming. ‘As a basic rule, migrant children should be received with respect and empathy, instead of mistrust and unnecessary examinations’, concludeerde destijds Human Rights Commissioner Thomas Hammarberg. Daaraan wordt in de huidige biometrische ‘schiftingspraktijk’ nog steeds op geen enkele wijze recht gedaan.

For an English version of this blog, please visit the Beyond Trafficking and Slavery blog (University of Nottingham) of openDemocracy (a non-profit public service on the web).